Medische Basiskennis
     

    Begrippenlijst

    Hieronder vindt u de begrippen die horen bij deze uitgave.

    Aërobe capaciteit (uithoudingsvermogen)

    Het maximale volume zuurstof dat per minuut kan worden opgenomen tijdens zware spierarbeid (hardlopen, fietsen, langlaufen).

    Absorptie

    Transport van stoffen van het lumen van het spijsverteringskanaal naar de extracellulaire ruimte, door het epitheelweefsel. [In de tubulus van het nefron wordt het transport van stoffen van de voorurine naar de extracellulaire ruimte reabsorptie genoemd; ook het neusslijmvlies kan stoffen absorberen]. De stoffen in de extra-cellulaire ruimte worden vervolgens door het bloed opgenomen en over het lichaam verspreid.

    Acidose

    Een extracellulaire pH (zuurgraad) lager dan 7.38.

    Actief transport

    Verplaatsing van stoffen over een membraan, met gebruik van energie in de vorm van ATP.

    Afasie

    Verzamelnaam voor taalstoornissen door hersenbeschadiging.

    Affectie

    Gevoel van genegenheid.

    Allergie (overgevoeligheid)

    Een immunologische ontstekingsreactie op een niet-pathogene antigeen.

    Androgenen

    In de geslachtsklieren en in de schors van de bijnieren geproduceerde steroïdhormonen die mannelijke kenmerken teweegbrengen.

    Angst

    Een algemeen gevoel van onveiligheid veroorzaakt door een dreigend, wezenlijk of vermeend gevaar en gepaard gaande met een verhoogde waakzaamheid, een verhoogde output van het vegetatief zenuwstelsel en een verhoogde spierspanning.

    Animaal

    Voor dieren kenmerkende prikkelverwerking en lichaamsbeweging in respons op de omgeving.

    Antagonist

    Een stof (bijvoorbeeld medicijn) of kracht (bijvoorbeeld spier) die de actie van een andere stof respectievelijk kracht tegenwerkt.

    Antigeen

    Stof die een immuunrespons van het lichaam opwekt en die kan reageren met producten (antistoffen) van die respons.

    Antistof

    Een molecuul dat chemisch precies past op de molecuulstructuur van een antigeen en daardoor het proces in gang zet om de drager van dat antigeen (bacterie, virus, e.a.) te vernietigen.

    Apoptose

    Geprogrammeerde dood van een cel.

    Atherosclerose

    Een pathologische toestand waarin vetten (ondermeer cholesterol) en calciumzouten zich ophopen onder het endotheel van de slagaderwand.

    Atoom

    Het kleinste deeltje van een element (bijvoorbeeld waterstof, zuurstof, ijzer).

    ATP (adenosinetrifosfaat)

    Een energierijk, samengesteld molecuul dat zorgdraagt voor de noodzakelijke energieoverdracht bij alle celprocessen.

    Auto-immuunziekte

    Een aandoening waarbij het immuunsysteem antistoffen vormt tegen lichaamseigen weefsels.

    Automatisme

    Een zelfwerkend handelingsprogramma van het zenuwstelsel dat geen gerichte aandacht behoeft (lopen, fietsen, zwemmen).

    Autoregulatie

    Een zichzelf regulerend (fysiologisch) proces zonder invloed van buiten, bijvoorbeeld de afstemming van de bloedstroom op de energiestofwisseling van een orgaan.

    Bacterie

    Een eencellig, kernloos micro-organisme dat zichzelf razendsnel vermenigvuldigt op een geschikte voedingsbodem. [Bacteriën voltooien rottingsprocessen; pathogene bacteriën veroorzaken ziektes].

    Benigne

    Goedaardig; kenmerk voor aandoeningen die gunstig verlopen.

    Besmetting (contaminatie)

    Overbrengen van pathogene micro-organismen.

    BMI

    Body Mass Index of Quetelet Index [lichaamsgewicht gedeeld door het kwadraat van de lichaamslengte], de meest gebruikte parameter om over- en ondergewicht uit te drukken.

    Carcinogeen

    Kankerverwekkend (stof, straling).

    Cel

    De basale functionele eenheid van organismen.

    Chemotaxis

    De lokkende werking van een chemische stof op cellen, bijvoorbeeld witte bloedcellen die aangetrokken worden door vrijkomende stoffen bij een ontstekingsproces.

    Chromosoom

    Staafvormige structuur in de delende cel waarop zich de genen bevinden. De staaf is opgebouwd uit een gevouwen draad van DNA. Buiten de delingsfase van de cel is de DNA-draad als een onontwarbare kluwen opgeborgen in de celkern en zijn de chromosomen dus niet zichtbaar onder een lichtmicroscoop.

    Coördinatievermogen

    De kwaliteit van het zenuwstelsel om skeletspieren harmonisch te laten samenwerken bij de uitvoering van lichaamsbewegingen en bewegingshandelingen.

    Cognitie

    Kennis; met name taalkundigen, informatici en psychologen leveren bijdragen aan de multidisciplinaire cognitiewetenschap (verwerven, verwerken en presenteren van kennis); cognitieve functies zijn onder meer waarneming, aandacht, inprenting, geheugen, oriëntatie, denken, taalgebruik, vaardigheden.

    Collageen

    Lijmvormende eiwitstoffen verwerkt in trekvaste vezels in bindweefsel.

    Coma

    Toestand van volkomen bewusteloosheid gekenmerkt door de onmogelijkheid gewekt te worden, maar met behoud van de meest vitale lichaamsfuncties.

    Comorbiditeit

    Het gelijktijdig voorkomen van meerdere ziektes.

    Compliantie of compliance

    Volgzaamheid; de mate waarin geneeskundige adviezen worden opgevolgd.

    Conditie

    Voorwaarde; toestand waarin iemand zich bevindt; fysieke trainingstoestand in de sport.

    Contusie (kneuzing)

    Verwonding ten gevolge van stomp geweld waarbij de huid intact blijft; de weefselbeschadiging bestaat uit kwetsing van cellen en bloedvaten.

    Copinggedrag

    Vermogen tot gedragsaanpassing aan relatief moeilijke omstandigheden (stress) ter voorkoming van overbelasting (burnout).

    Dehydratie (uitdroging)

    Tekort aan water in weefsels en bloedbaan met als kenmerken dorst, lage urineproductie, rimpelvormende huid en bewustzijnsverlaging.

    Dementie

    Syndroom van algehele geestelijke aftakeling met stoornissen in cognitieve functies, bij intact bewustzijn, als centraal kenmerk.

    Denaturatie

    Het verloren gaan van de natuurlijke moleculaire structuur (van weefsel).

    Depressie

    Neerslachtige stemmingsstoornis van langdurige aard.

    Differentiatie

    De ontwikkeling van cellen (en weefsels) uit een oorspronkelijk homogeen geheel (kiemcellen, stamcellen) tot nieuwe cellen (en weefsels) met specifieke kenmerken.

    Diffusie

    Verplaatsing van deeltjes (moleculen) door hun kinetische energie in gassen en vloeistoffen waardoor vermenging optreedt (van hoge naar lage concentratie).

    Distorsie (verstuiking)

    Verstuiking of verzwikking van een gewricht waarbij kapsel en banden (gedeeltelijk) inscheuren.

    DNA

    Deoxyribo nucleic acid, opslagstof van de genetische informatie in de celkern; een lang spiraalvormig lint samengesteld uit vier verschillende bouwstenen (nucleotiden) waarvan de volgorde de genetische code aangeeft.

    Dominant

    Overheersend; bij een ongelijk allelenpaar komt slechts de eigenschap van het dominante allel tot expressie (genetica).

    DSM

    Diagnostic and Statistical Manual (of mental disorders); een handleiding opgesteld door de American Psychiatric Society van psychische stoornissen op grond van beschrijvende kenmerken in plaats van theorieën over oorzaken (IV betekent de vierde herziene uitgave).

    Eiwitten

    Groep van organische moleculen samengesteld uit aminozuren (C, H, O, N); wordt gebruikt door alle organismen als bouwelement (cel- en weefselstructuren) en voor functie-uitvoering (bijvoorbeeld katalysering, signalering, beweging).

    Embryo

    De zich ontwikkelende vrucht in het moederlichaam tot en met het stadium van de organogenese, ongeveer 8 weken na de bevruchting; daarna spreekt men van foetus.

    Emotie

    Ontroering, gemoedsbeweging; onderscheid in twee groepen: positieve (geluk, liefde, trots) en negatieve (angst, verdriet, haat) emoties [limbische systeem in de hersenen wordt beschouwd als het emotionele brein].

    Energie

    Eigenschap van een systeem om arbeid te kunnen leveren; ATP is de universele energiebron van de cel om functies (bijvoorbeeld samentrekking, elektrische processen, ionenpomp) te kunnen uitvoeren (mentale energie is de wil om bepaald gedrag door te zetten).

    Enzym

    Een eiwit dat een bepaald scheikundig proces in een organisme bevordert zonder zelf te veranderen.

    Erfelijke (genetische) code

    Relatie tussen de rangschikking van de nucleotiden in DNA en die van aminozuren in het eiwit waarvoor dat DNA-deel (gen) codeert.

    Evolutie

    Het proces van de ontwikkeling van organismen gedreven door mutaties (van genen) en gericht door natuurlijke selectie (levensvatbaarheid in heersende omstandigheden).

    Expressie

    Uitdrukking, druk uitoefenen (bijvoorbeeld buikpers); genexpressie wil zeggen de wijze waarop het gen vertaald wordt in een functioneel eiwit (genetica).

    Facilitatie

    Het sneller en gemakkelijker doen verlopen van een fysiologisch proces (bijvoorbeeld impulsoverdracht, productie van antistoffen).

    Fagocytose

    Vernietigen en opruimen van binnengedrongen micro-organismen en van beschadigde weefselelementen (bijvoorbeeld cellen, vezels, bloedonderdelen) door cellen met een fagocyterende functie (bijvoorbeeld granulocyten, macrofagen, microglia).

    Fitheid

    De fysieke toestand om prestaties te leveren.

    Foetus

    De vrucht in het moederlichaam na het embryonale stadium tot aan de geboorte (de lichaamscontouren zijn duidelijk herkenbaar; naast de verdere ontwikkeling van de organen is de snelle groei het belangrijkste kenmerk).

    Fysiologie

    De wetenschap der levensverrichtingen; richt zich op de lichaams- of orgaanfuncties.

    Gen

    Een gedeelte van een chromosoom dat een erfelijke factor vertegenwoordigt [in celbiologische termen: een gebied van het DNA dat de benodigde informatie bevat voor de vorming van een functioneel onderdeel van boodschapper RNA (mRNA) en dus voor de vorming van een functioneel celeiwit].

    Grondsubstantie

    Niet-cellulair vullingsmateriaal in weefsel dat bestaat uit glycoproteïnen en water.

    HLA

    Human Leucocyte Antigen, Engelse naam voor de classificatie van menselijke MHC (Major Histocompatibility Complex) eiwitten op witte bloedcellen [het betreft antigene eiwitfracties van menselijke cellen, die immuniteitsreacties oproepen bij transplantatie van bloed en organen].

    Homeostase

    De eigenschap van het lichaam om het interne milieu (weefselvocht) relatief constant te houden (bijvoorbeeld temperatuur, watergehalte, zuurstofgehalte, zuurgraad).

    Hormoon

    Een eiwitstof die door een groep cellen (hormoonklier) aan het bloed wordt afgegeven voor transport naar andere lichaamsdelen om bij een zeer lage concentratie groei, ontwikkeling, homeostase of stofwisseling te beïnvloeden.

    ICD

    International Classification of Diseases; classificatie systeem van alle aandoeningen.

    Immuniteit

    De eigenschap van het lichaam (organisme) om zichzelf te beschermen tegen ziekteverwekkers.

    Incontinentie

    Het onvermogen om de urine of de ontlasting op te houden

    Infarct

    Een weefselgebied dat beschadigd of afgestorven is geraakt ten gevolge van inadequate bloedtoevoer.

    Infectie

    Handhaving en vermenigvuldiging van ziekteverwekkende parasieten, schimmels, bacteriën of virussen na besmetting, waardoor een plaatselijke ontsteking of ziekte van het gehele lichaam wordt veroorzaakt.

    Inhibitie

    Remming, onderdrukking van een impuls (met name bij de synaps).

    Intelligentie

    Vermogen om kennis en ervaring toe te passen bij het oplossen van of het omgaan met problemen.

    Ion

    Een atoom of atoomgroep met een netto positieve of negatieve lading door verlies respectievelijk opneming van een of meer elektronen (bijvoorbeeld H+, Na+, Ca++, OH-, Cl-, HCO3-).

    Ischemie

    Een tekort van adequate bloedtoevoer naar een weefsel, orgaan of lichaamsdeel (door stolsel, vaatspasme, afknelling).

    Kanker

    Kwaadaardig woekerend gezwel van epitheel-weefsel (huid, slijmvlies, klieren) met uitgezaaide dochtergezwellen (metastasen) die de betreffende organen verwoesten.

    Kloon

    Een groep cellen die genetisch identiek zijn (B-lymfocyten die dezelfde antistof maken); het begrip wordt ook gebruikt voor een celcultuur die één bepaalde stof (bijvoorbeeld hormoon) maakt en voor een compleet organisme (bijvoorbeeld schaap Dolly) dat zich uit de kern van een lichaamscel (in plaats van een bevruchte eicel) ontwikkeld heeft.

    Koolstofdioxide

    CO2; de (gasvormige) afvalstof van de verbranding van voedingsstoffen die door de longen wordt verwijderd.

    Kwaliteit van leven

    Begrip uit de gezondheidszorg dat aangeeft in welke mate een aandoening de uitvoering van gewenste handelingen belemmert.

    Maligne

    Kwaadaardig; karakteristiek voor aandoeningen (met name kanker) met een slechte prognose.

    Manie

    Toestand van ziekelijke opgewektheid die gepaard gaat met een verstoorde beleving van de eigen persoon en de werkelijkheid (onderdeel van de bipolaire stemmingsstoornis).

    Meiose

    Celdeling van geslachtscellen (reductiedeling) die leidt tot een haploïd (enkelvoudig) aantal chromosomen van gameten (eicellen en zaadcellen).

    Metastasering

    Verspreiding van kanker (of een andere aandoening) over het lichaam.

    MHC

    Major Histocompatibility Complex; classificatie van weefselantigenen bij transplantatie van bloed of organen (zie HLA).

    Migratie

    Verplaatsing van cellen in het lichaam; met name tijdens de embryonale ontwikkeling, en cellen van het immuunsysteem.

    Mitose

    Proces van normale celdeling.

    Molecuul

    Twee of meer atomen die door gezamenlijk gedeelde elektronen (twee of meer elektronen die bij de betrokken atoomkernen horen) gekoppeld zijn.

    Morfogenese

    Het ontstaan van anatomische structuren in een organisme.

    Motoriek

    Arsenaal en uitvoeringskwaliteit van lichaamsbewegingen en van bewegingshandelingen.

    Mutatie

    Een plotselinge, blijvende verandering in genetisch materiaal (gen) die overgeërfd wordt; verandering van/in een nucleotide.

    Neuroplasticiteit

    Eigenschap van zenuwweefsel om nieuwe verbindingen te leggen.

    Nucleus

    Kern; wordt gebruikt in de natuurwetenschappen om de kern van een atoom (verzameling van protonen en neutronen) te duiden, in de biologie voor de kern van de cel en in de neurowetenschappen voor de knooppunten in zenuwbanen waarin de cellichamen van neuronen verzameld liggen.

    Oedeem

    Overmatige vochtophoping in interstitieel weefsel (intercellulaire ruimte).

    Oestrogenen

    De groep van vrouwelijke geslachtshormonen (steroïd structuur) die een rol vervullen in de menstruele cyclus en die de secundaire vrouwelijke geslachtskenmerken tot expressie brengen.

    Oncogeen

    Een factor die bijdraagt aan de vorming van een kwaadaardig gezwel.

    Ontsteking

    Een niet-specifieke reactie van het immuunsysteem op weefselschade en op antigenen van binnendringende stoffen, micro-organismen en, in geval van ontsporing, eigen cellen; de kenmerken van een ontsteking zijn vaatverwijding (warmte, zwelling, roodheid), pijn en gestoorde weefselfunctie.

    Orgaan

    Een uit verschillende weefsels samengesteld onderdeel van het lichaam met een specifieke functie bijvoorbeeld maag, oog, hart; een orgaan is verder onderdeel van een stelsel (of systeem) met dezelfde lichaamsfunctie bijvoorbeeld bloedsomloop, ademhalingsstelsel, zenuwstelsel.

    Organellen

    Verzamelnaam voor onderscheidbare structuren van de cel in de betekenis van 'ogaantjes' met specifieke functies; bijvoorbeeld mitochondrieën, Golgi-apparaat, lysosomen.

    Organisme

    Een levend wezen; bijvoorbeeld bacterie, schimmel, plant, dier.

    Osmolariteit

    De concentratie van opgeloste deeltjes in een vloeistof, uitgedrukt osmol per liter (of kilo); de osmolariteit van bloedplasma is 275 - 300 mosmol/ kg.

    Oxidatie (verbranding)

    Een chemische reactie waarbij een stof elektronen afstaat door een verbinding aan te gaan met zuurstof bijvoorbeeld het roesten van ijzer; in een organisme wordt een energieleverende stof (glucose, vetzuur) in de mitochondrieën stapsgewijs afgebroken tot water en koolstofdioxide en de vrijkomende energie wordt daarbij opgeslagen via de vorming van ATP.

    Pathologie

    Ziekteleer.

    Persoonlijkheid

    Stabiele kenmerken van iemands gedrag, waardoor hij zich onderscheidt van anderen; zowel aanleg als ervaringen vormen de persoonlijkheid.

    Polymorfisme

    Het voorkomen van twee of meer allelen op een locus (positie van een gen op het DNA) waardoor een variatiebreedte in de expressie van dat gen bestaat (genetica).

    Prevalentie

    Het aantal gevallen van een ziekte (of een ander verschijnsel) dat in een omschreven populatie in een omschreven periode (of moment) voorkomt.

    Prognose

    Voorspelling omtrent het verdere verloop van een ziekte (of ander verschijnsel).

    Psyche (geest)

    Totaal van veronderstelde innerlijke processen en verrichtingen dat een verklaring kan bieden voor iemands gedrag; of totaal van iemands bewuste en onbewuste 'innerlijke' ervaringen.

    Receptor

    Ontvanger (van een boodschap); in de fysiologie betreft het een cel of groep cellen die veranderingen monitoren in de inwendige (bijvoorbeeld bloeddruk, zuurstofspanning) en uitwendige omgeving (bijvoorbeeld licht, warmte); in de celbiologie en farmacologie betreft het eiwitten op het celmembraan en in het celplasma die binden aan signaalmoleculen (bijvoorbeeld hormonen, neurotransmitters).

    Recessief

    Het allel dat bij heterozygotie overheerst wordt door het dominante allel en alleen tot expressie komt in geval van monozygotie van het recessieve allel (genetica).

    Recombinatie

    De vorming van nieuwe combinaties van gekoppelde genen tijdens de replicatie van chromosomen in de meiose (door het mechanisme van crossing-over); dit proces kan ook optreden bij virussen.

    Replicatie

    Verdubbeling van het DNA (chromosomen) voorafgaande aan de celdeling.

    Rigiditeit

    Neurologische stoornis in de regeling van de spierspanning waardoor de spieren een verhoogde stijfheid vertonen, bijvoorbeeld bij de ziekte van Parkinson; starheid van de geest bijvoorbeeld bij paranoia.

    RNA

    Ribonucleic acid; er zijn drie vormen van RNA die samen het proces van transcriptie en translatie verzorgen (vertaling van de genetische code van DNA naar eiwit)

    Screening

    Een onderzoek door een test op de aanwezigheid van een aandoening.

    Secretie

    Het proces waarbij een cel een stof afscheidt naar de extracellulaire ruimte; in geval van weefselvocht blijft de stof in het lichaam (hormonen, vezels) en in geval van epitheelweefsel dat (in)direct in verbinding staat met de buitenwereld, komt de stof terecht in een buissysteem (maag-darmkanaal, nefron van de nier) of aan de oppervlakte (huid).

    Sepsis

    Ernstig ziektebeeld waarbij bacteriën zich via de bloedbaan verspreiden over het gehele lichaam.

    Setpointregeling

    Fysiologisch regelsysteem om de homeostase te handhaven, bijvoorbeeld 120/80 mm kwik voor de arteriële bloeddruk, 37 graden Celsius voor de lichaamstemperatuur, 100 mm kwik voor de arteriële zuurstofspanning; de genoemde waarde is het setpoint.

    Spasticiteit

    Neurologische stoornis in de regeling van de spierspanning waarbij de aangedane spieren onwillekeurig krampachtig aangespannen en verlamd zijn; bijvoorbeeld bij hersenbeschadiging op jonge leeftijd (cerebral palsy).

    Specialisatie

    Begrip uit de embryologie dat hoort bij het begrip differentiatie; de ontwikkeling van verschillende typen cellen (epitheelcel, spiercel, zenuwcel) zowel qua bouw (differentiatie) als qua functie (specialisatie) vindt plaats uit oorspronkelijke stamcellen.

    Stamcel

    Onrijpe cel met de eigenschap om zich te differentiëren tot een gespecialiseerde weefselcel.

    Stenose

    Vernauwing in een buissysteem (bloedvat, lymfevat, urinewegen, darmkanaal).

    Stofwisseling

    Alle chemische reacties in het lichaam; feitelijk worden de chemische reacties in de cel bedoeld.

    Stress

    Krachten die spanning uitoefenen op een systeem; voor de mens kunnen dat krachten (stressfactoren) van fysieke, psychische en sociale aard zijn waardoor hij onder spanning staat. Acute stress kan leiden tot een paniekaanval, en chronische stress tot een burnout.

    Suikers (koolhydraten)

    Zoete stoffen die behoren tot de koolhydraten en gewonnen worden uit suikerbiet en suikerriet; koolhydraten zijn organische moleculen met als basisformule (CH2O)n.

    Teratogeen

    Misvorming veroorzakende factoren (chemische stoffen, gamma straling) in de prenatale periode.

    TNM-systeem

    Tumor-Nodule (dochtergezwellen in regionale lymfeklieren) - Metastase (dochtergezwellen in andere organen); internationaal classificatie-systeem om de uitbreiding van een kwaadaardig gezwel weer te geven.

    Toxine

    Schadelijke (gif) stof van bacteriën of andere organismen (planten, slangen); een toxine bindt zich aan een of meerdere receptormoleculen van cellen die daardoor ontregeld raken.

    Transcriptie

    Begrip uit de genetica/celbiologie; overdracht van gecodeerde informatie uit DNA naar boodschapper-RNA.

    Translatie

    Begrip uit de genetica/celbiologie; omzetting van de informatie van boodschapper-RNA in een eiwit (peptideketen) door ribosomen.

    Transport

    Verplaatsing van stoffen; transporteiwitten in het bloed binden moeilijk oplosbare stoffen zoals zuurstof, ijzer en cholesterol zodat deze in voldoende hoeveelheden vervoerd kunnen worden; transport van stoffen door het celmembraan via poorteiwitten en afsluitbare kanalen (actief transport dat energie kost) zoals Na+ en K+, glucose, hormonen en via blaasjes (pinocytose).

    Trauma

    Inwerkende kracht die tot schade (verwonding) leidt; de kracht betreft niet alleen mechanisch geweld (ongeval), maar ook chemisch (zuur), straling (UV, radioactieve), warmte (verbranding), koude (bevriezing), en psychisch (dwang, terreur).

    Tremor

    Onwillekeurige ritmische bevingen veroorzaakt door een neurologische stoornis; bijvoorbeeld ziekte van Parkinson, alcoholmisbruik, bijwerking van antipsychotica.

    Tumor

    Gezwel of zwelling; gezwel bestaat uit celmassa en een zwelling uit vocht (oedeem).

    Vaccinatie

    Toediening van een dood of veranderd pathogeen om de vorming van antistoffen tegen het pathogeen op te wekken (naam is afkomstig van koepokentstof [vacca betekent koe])

    Vegetatief

    Functies van plant, dier en mens om het lichaam (leven, stofwisseling) in stand te houden; bij dier en mens gaat het om spijsvertering, bloedsomloop, ademhaling, uitscheiding, immuunsysteem en betrokken regelsystemen (hormoonstelsel en autonoom deel van het zenuwstelsel).

    Vermoeidheid

    Het gevoel van een verminderd prestatievermogen ten gevolge eerdere inspanning (van toepassing op zowel lichamelijke als geestelijke processen); in geval van moeheid ontbreekt het oorzakelijk verband met eerdere inspanning.

    Veroudering

    Het proces van geleidelijke afname in kwaliteitsniveau van bouw en functie van (alle) lichaamsonderdelen als gevolg de stijgende leeftijd.

    Vetten

    Een groep van organische moleculen (C,H,O) met hydrofobe eigenschappen (waardoor geschikt voor de vorming van membranen) en lange (CH2)n ketens als belangrijkste kenmerk (hoge energiewaarde); vet wordt gebruikt als opslagproduct van energie bij bovenmatige consumptie van voedingsmiddelen.

    Virulentie

    Infectiekracht, het vermogen van een pathogeen om zijn gastheer schade toe te brengen; wordt in vergelijkende betekenis ook gebruikt voor typering van kankersoorten.

    Virus

    Kleinste (10 - 300 nm) infectieuze deeltje voor mens, dier, plant en bacterie, dat bestaat uit DNA of RNA en een eiwitmantel; een virus kan zich alleen vermenigvuldigen in een bacterie of cel omdat het voor zijn vermenigvuldiging afhankelijk is van de organellen van de gastheer.

    Vitaliteit

    Levenskracht, mate van levendigheid; tijdens veroudering neemt de vitaliteit geleidelijk af (door ziekte sneller afhankelijk van het procesverloop, en in geval van herstel slechts tijdelijk).

    Water

    H2O, door zijn fysisch-chemische eigenschappen en de vrijwel onuitputtelijke beschikbaarheid op aarde is water de vloeistof van alle leven.

    Weefsel

    Een verzameling van cellen, gewoonlijk bij elkaar gehouden door onderlinge verbindingen, die samenwerken om een gemeenschappelijk doel te bereiken; een orgaan is opgebouwd uit verschillende soorten weefsels.

    Zelfconcept

    Een betrekkelijk objectieve inschatting van de unieke eigen talenten en vermogens en een realistische erkenning van de grenzen daarvan, waarover men een zeker gevoel van tevredenheid heeft.

    Zuurstof

    Element dat in de vorm van een molecuul (O2) in de atmosfeer (21%) voorkomt en voor de levering van energie bij stofwisselingsreacties van levensbelang is voor organismen.

    Zygote

    Bevruchte eicel; ontstaat door samensmelting van de kern van de zaadcel met die van de rijpe eicel.